over wielrennen
KOUDE KERMIS
Lippe Lap A7 Classic, Drachten
Liflafje (het; vgl. –je) 1 de maag niet vullende lekkernij: liflafjes opdissen
Juist. Mijn eerste klassieker bij de elite. Een de maag niet vullende lekkernij. De Lippe Lap Classic. Wie bedenkt zo'n naam? Het is überhaupt al dubieus dat alle eendaagse wielerwedstrijden in Nederland, ongeacht het niveau, de naam 'klassieker' dragen. Klinkt een stuk serieuzer dan het is. Net als 'hel'. Dat Paris-Roubaix de bijnaam 'de Hel van het Noorden' heeft, akkoord, maar de Hel van Brabant, de Hel van het Mergelland, de Hel van Wageningen? Kom jongens, het zal toch wel meevallen.
Maar bij de elite, officieel het hoogste niveau in Nederland, maar met daarbinnen in de praktijk nog de enorme verschillen tussen clubrenners (zoals ik), continental-renners (halfgesponsord, semi-prof) en de elite met contract (de profs), stelt een klassieker wel degelijk wat voor. Tenminste, dat begreep ik uit de reacties van mijn teamgenoten die dit seizoen al één of meer klassiekers gereden hebben. De helft van het eliteteam bij Gaul! bestaat - zoals ik - uit groentjes op dit niveau. Ieder heeft op zijn eigen manier moeite met het wringen in het peloton, de af en toe zeer hoge snelheden of de lengte van de wedstrijden (165 km plus). Ik had al de nodige afschrikwekkende verhalen gehoord en nu stond ik dan eindelijk zelf aan de start.
Het was hondenweer in Drachten. Gedurende de ruim twee durende autorit naar het noorden was het geen moment droog geweest en het zag er niet naar uit dat dat nog zou veranderen vandaag. Ik ondernam een kwartier voor de start nog een halfslachtige poging tot warmrijden, maar ik geloof dat de kou toen pas echt in mijn botten sloeg. Binnen luttele minuten was de zeem van mijn koersbroek door het opspattende water van mijn achterwiel doorweekt. Altijd fijn. Op het laatste moment besloot ik om het shirt met lange mouwen dat ik van plan was voor de start uit te trekken toch maar aan te houden.
De neutralisatie, oftewel de eerste kilometers van de koers die je op een sukkeldrafje en met veel geduw en getrek verplicht achter de jury-auto door moet brengen tot je de bebouwde kom verlaten hebt, was voorbij voor ik er erg in had. Ik had natuurlijk kunnen bedenken dat de bebouwde kom van Drachten niet zo heel veel vierkante kilometers in beslag kon nemen. Te laat schakelde ik naar het buitenblad, te laat schoot mijn teller naar de 50 en ik verloor meteen een plek of twintig in het peloton, terwijl ik voor mijn doen toch redelijk vooraan had gezeten. Toen mijn benen echter eenmaal hun ritme gevonden hadden, en mijn ogen gewend waren aan het van alle kanten neerdalende en opspattende water, viel me iets geks op: het viel wel mee. Okee, het ging hard en okee, de weg was zo glad als een spiegel, maar verder was het was alleszins te doen. Ik hoefde me niet als een klootzak te gedragen om mijn plek in het peloton veilig te stellen, ik hoefde niet elke vijf seconden vol in de remmen omdat iedereen dat deed en ik hoefde niet vanaf de start diep in het rood te rijden om bij te blijven.
Sterker nog, ik reed best gemakkelijk. Misschien kwam het door de regen, die zoals bekend is bij voorbaat al op veel renners een demotiverende werking heeft, misschien kwam het door de algemeen heersende angst om onderuit te gaan, of misschien was er toch nog een restje over van de pelotonervaring die ik vorig jaar bij de A's had opgedaan, maar zonder al te veel moeite wist ik me in het peloton te handhaven. Voorin het peloton, wel te verstaan. Terwijl renners aan weerskanten van de weg aan het ploeteren waren om naar voren te geraken reed ik rustig in het midden van het peloton. Voor mijn neus vielen gaten waar ik mijn wiel instuurde en hopla, weer vijf plaatsen naar voren schoof. Een grote kalmte kwam over mij. Zoals het er nu naar uitzag zou ik mijn eerste klassieker gewoon uit gaan rijden. Een aantal van mijn ploeggenoten zag ik met eenzelfde gemak voorin rijden, terwijl onze immer drieste belofte Danny al een eerste poging tot ontsnappen aan het ondernemen was.
We schoten door dorpen, we schoten over kruisingen, we schoten over smalle klinkerweggetjes. Op een bollende weg met van die rode steentjes in visgraadmotief voelde ik af en toe mijn achterwiel slippen, maar ik voelde geen angst. Gek is dat. Als je je goed voelt en alles zit mee, wordt je geest langzaamaan beneveld door een gevoel van zelfvertrouwen dat even ongefundeerd als allesoverheersend is. Mij kan vandaag niets overkomen. Dat gevoel is bedrieglijk.
Opeens merkte ik dat mijn achterwiel niet meer slipte. Mijn achterwiel had zelfs verdacht veel grip. De band van mijn achterwiel liep langzaam leeg. Soms denk je alleen maar dat je band lek is, hield ik mezelf voor, zit het tussen je oren. Ik wipte een paar keer mijn achterwiel omhoog, maar bij het neerkomen raakte mijn velg overduidelijk het wegdek. Lekke band. Na twintig kilometer koers. Het viel niet meer te ontkennen.
Ik stak mijn arm omhoog om de andere renners te waarschuwen en stuurde naar de rechterkant van de weg. Het middelste deel van het peloton kwam voorbij. Het achterste deel van het peloton kwam voorbij. Twee kleine groepjes met gelosten kwamen voorbij. Een handjevol enkelingen kwamen voorbij. Ik herinner me dat ik dat geruststellend vond. Ik dacht: zo, dus bij de elite rijden ook gewoon pannenkoeken rond. De volgwagens kwamen voorbij. Omdat onze ploeg erg laag in het klassement van de clubcompetitie staat, was onze ploegleidersauto een van de laatsten van de karavaan. Onze mechanieker kwam aanrennen met een nieuw achterwiel, maar kreeg dat om de één of andere reden niet in mijn fiets gestoken. Rustig blijven, hield ik mezelf voor. Zo meteen rijdt de ploegleider me terug naar de achterkant van het peloton. Zit ik eenmaal tussen de auto's, dan red ik me wel.
Zeker een minuut ging voorbij, terwijl ik de lange sliert renners en auto's uit het zicht zag verdwijnen. De mechanieker duwde me weer in gang en even later kwam de ploegleidersauto voor me rijden. De ploegleider deed zijn best om me op sleeptouw te nemen, maar had niet in de gaten dat er elke keer dat hij optrok een gat van vijf meter tussen mij en zijn achterbumper ontstond. Waardoor ik vol in de wind kwam te zitten. Nadat ik een keer of wat al mijn krachten had moeten geven om terug bij de auto te komen brak er iets in mij. Ik gaf toe aan de pijn in mijn benen, aan de verslagenheid en aan het besef dat het er vandaag gewoon niet inzat. Met lede ogen zag ik toe hoe de andere inzittenden mij nog een laatste keer aanmoedigden, zonder dat ik nog de adem had om ze duidelijk te maken dat het niet mijn motivatie was waar het aan schortte, maar veeleer het rijgedrag van de ploegleider.
Rustig peddelend zocht ik mijn weg terug naar Drachten. Maar het was nog niet gedaan met mijn pech. Al snel kreeg ik gezelschap van een jonge renner uit Amsterdam die al na 15 kilometer had moeten lossen. Hij was blij dat hij niet alleen terug hoefde te fietsen en praatte aan een stuk door. Te laat besefte ik dat dit hoogstwaarschijnlijk dat vervelende opscheppertje was waar sommige clubgenoten het wel eens over gehad hadden. Omdat ik zo stom was geweest om mijn autosleutel bij de ploegleider in de auto achter te laten, zat ik tot het einde van de koers (bijna drie uur later) met hem opgescheept. In onze natte wielerkleren zater we te bibberen in de lokale voetbalkantine die als permanence dienst deed. Te wachten. Om te zeggen dat het de langste uren van mijn leven waren gaat wat ver, maar het waren lange uren. Misschien wel de langste van mijn leven.
Maar liefst 76 van de 126 renners bereikten de finish. Onder hen drie teamgenoten, Danny, Freek en Dimitri. De twee anderen waren net als ik uitgevallen; Josbert door een valpartij, Seppe door eveneens een lekke band. Freek vertelde dat hij goed mee had kunnen komen in een aantal ontsnappingen. Hij durfde te beweren dat hij baalde, omdat er niet één ontsnapping had standgehouden. Ik gaf hem te verstaan dat balen iets was waar ik op dat moment toch wat meer recht toe had dan hij.
Mijn benen voelden nog steeds erg goed aan, maar het enige wat ik er nog mee kon doen was in de auto terugrijden naar Rotterdam. Terug van een koude kermis. Onvoldaan. Op zondagochtend vierde ik mijn frustratie bot in een trainingskoers in Puttershoek. Op een fijn vierkant en winderig rondje reed ik iedereen, mijzelf incluis, in een uur tijd aan gort wat resulteerde in een vierde plaats. Wel ja, nog een liflafje. Maar het kon de honger niet stillen.
bekijk hier de uitslag