over wielrennen
NIET MIJN SEIZOEN
La Vaujany, Franse Alpen
"Verwacht er niet te veel van na een reisdag", had Feike Loots gezegd toen ik hem belde voor wat tips aangaande mijn week in de Franse Alpen. Op zaterdag reed ik 1100 kilometer moederziel alleen in een geleende Citroën Berlingo over de volle Franse tolwegen, op zondag stond ik om 6 uut 30 aan de start van La Vaujany, een cyclo over 175 kilometer met bijna 4000 hoogtemeters.
Mijn verwachtingen waren niet erg hooggespannen, want dit werd niet alleen mijn eerste cyclo van het seizoen, het was bovendien voor mijn eerste rit in de bergen sinds 2007. Maar pessimistisch was ik evenmin. De reis was vlotjes verlopen, ik was op tijd in Allemont aangekomen met de fiets naar de finish in het skidorp Vaujany te rijden om me in te schrijven en de slotklim van vijf kilometer leek me alleszins te overzien. In mijn blinkende Canyon-frame staken twee gloednieuwe lichtgewicht American Classic wieltjes, ik had goed gegeten, goed geslapen en stond 's ochtends zowaar als eerste aan de start. Ik was, kortom, voorbereid.
In het eerste startvak arriveerden opvallend veel ouden van dagen. Veertigplus, vijftigplus, zestigplus. Even voelde ik mezelf een enorme prutser omdat ik er zo openlijk trots op durfde te zijn vooraan te kunnen finishen tussen dit zooitje gesoigneerdde liefhebbers op leeftijd. Maar daar kwam gelukkig ook de concurrentie aan. Ik herkende de klassementsleiders in de Grand Trophee, jongens van de Franse cycloteams, de Nederlandse prof-in-eigen-beheer Bert Dekker en het jonge klimmertje dat vorig jaar het klassement in mijn leeftijdscategorie won.
Na de start vlogen we over de eerste 25 kilometers vals plat naar beneden naar de voet van de eerste klim. Aldaar namen twee keer twee renners met dezelfde tenues zelfverzekerd het roer in handen. Ze schudden aan het peloton tot er nog slechts tien man overwaren. Ik moest flink bijten om het laatste wiel te houden, maar was vastbesloten om vandaag in ieder geval met de kopgroep over de eerste berg te komen. De tweede beklimming was, zo had ik vernomen, een lange lopende klim, waarbij een goede groep essentieel zou zijn. Wat er daarna met me zou gebeuren zou ik wel zien.
"Ze hebben er zin in vandaag", hoorde ik Bert Dekker tegen de dunne jongen in het geel zeggen, die ik herkende als Sander van vorig jaar. Kort daarna moest Sander lossen. Ik besloot dat het veilig was om vooralsnog Bert Dekker in het vizier te houden. Opvallend genoeg reed hij continue achterin de groep. Hij draaide een verzet dat de indruk wekte dat hij elk moment van ellende van zijn fiets kon vallen. Het tegendeel bleek – natuurlijk – het geval.
Toen de groep ver genoeg was uitgedund zakte het tempo iets. Ik haalde een paar keer diep adem en begon mijn zegeningen te tellen. Toptien leek binnen handbereik. Het duurde niet lang voordat twee van de jongens die eerder het tempo gemaakt hadden met een derde renner een fikse versnelling plaatsten. Dekker voor mij ging op de pedalen staan. Zonder op te schakelen (dus dat was het voordeel van dat zware verzet) reed hij naar de koplopers toe. Het kwam niet eens in me op om mee te gaan.
Met een man of zes kwamen we over de top van de Col du Grand Serre. In de afdaling sloten nog vier renners aan. De koplopers hadden ongeveer anderhalve minuut, zo hoorden we. Zodra het steilste stuk voorbij was begon de groep te draaien. Aangezien ik me tussen louter Fransen bevond, besloot ik ze een koekje van eigen deeg te geven. Ik begon rustig te eten en te drinken en deed geen trap op kop. Misschien kwam het daardoor dat ik minder aandacht aan de weg besteedde, maar na exact 46 kilometer koers klapte mijn achterwiel vol op een losliggende steen midden op de weg. Na de klap begon direct het sissen en binnen enkele seconden raakte mijn velg het asfalt. Onder luid gevloek (in het Frans, om mijn medevluchters ervan te doordringen dat ik deze groep allesbehalve vrijwillig verliet) stapte ik af.
Vorig seizoen reed ik al mijn cyclo's zonder pomp, zonder reserveband of plakspullen, vertrouwend op mijn goede gesternte. Dit seizoen heb ik geleerd wat minder vertrouwen in de goede afloop te hebben. Ik reed eerder al in twee klassiekers lek, en ook buiten de koers was ik niet erg gelukkig geweest. En nu dit.
Na een korte driftbui werd ik heel rustig. Het was dus blijkbaar niet mijn seizoen. Ik begon mijn band te plakken. (Door te plakken ontdek je vaak de reden van je lekke band; als je rücksichtlos een reserveband monteert wil je dat kleine stukje glas nog wel eens over het hoofd zien en heb je een grote kans om binnen een minuut opnieuw langs de kant van de weg te staan. Bovendien had ik toch alle tijd nu mijn klassement naar de vaantjes was.) Het bleek vergeefs. De steen had een ferme snee in mijn buitenband achtergelaten. Als ik hem oppompte kwam het rubber van mijn binnenband erdoorheen. Niet mijn seizoen. Definitief niet mijn seizoen.
De mogelijkheden waren beperkt, maar ik probeerde ze allemaal. Ik zwaaide met mijn wiel naar de auto's en motoren van de organisatie die voorbij kwamen. Ik trachtte de buitenband te dichten met een plakkertje. Ik legde mijn probleem voor aan Thuan, een clubgenoot die mij zag staan en even stopte. Ik monteerde de slechte band op mijn voorwiel, deed er precies genoeg lucht in om de velg voor beschadiging te behoeden, reed voorzichtig naar een stel voorbijgangers en vroeg om hulp. Ik daalde voorzichtig en met een zeer zachte band een stukje verder af en vroeg een motorrijder die het parcours bewaakte om hulp.
Na ongeveer een uur kreeg ik van de lokale fietsendealer, die in zijn auto als mobiel reparatiepunt fungeerde, een reserve voorwiel. Dat was een onverwachte meevaller, want nu kon ik alsnog op eigen kracht mijn weg vervolgen. Als toerder, dat wel. Ik besloot mijn frustratie de vrije hand te laten. Dan werd het vandaag maar een extra zware training. Rammen dus.
Ik geef toe, het was een irrationeel besluit, dat bovendien gebaseerd was op enkele foute inschattingen. 1) De Vaujany is, evenals de Marmotte, wél een zware cyclo. 2) Ook in een veronderstelde lichte cyclo is het belangrijk om enkele herstelmomenten in te bouwen en op tijd te eten en te drinken. 3) Wie in het achterveld van een cyclo heel hard gaat rijden, hoeft geen steun van de renners om hem heen te verwachten. Die houden zijn tempo namelijk niet bij. Daarom rijden ze ook in het achterveld. 4) De route van de Vaujany loopt niet over de top van Alpe d'Huez, maar slaat een paar kilometer voor de top rechtsaf. 5) De slotklim naar Vaujany is bijna 9% gemiddeld. Met ruim dertig graden en een lege tank is dat niet 'te overzien'.
Volkomen uitgepierd kwam ik na 7 uur en 19 minuten over de finish. Het voelde alsof er een stukje bot los zat in mijn linkerknie. En in mijn onderrug zat iets heel hards, een stuk steen of zo. Mijn hartslag wilde tijdens de slotklim niet meer boven de 155 uitkomen, wat er meestal op duidt dat het moment dat het lichaam het bijltje erbij neergooit niet ver meer is. De bekende visoenen van afstappen, frame doormidden zagen en nooit meer fietsen waren alom tegenwoordig. Nee. Het viel niet mee.
Of nou ja, er waren misschien toch een paar meevallers. Op de Col de Sarenne was ik blij dat ik niet meer voorin de in koers zat, waar je af en toe toch een zeker risico voor lief moet nemen. Zowel de beklimming van de Col de Sarenne als de afdaling bleken volstrekt levensgevaarlijk. Het wegdek lag er waardeloos bij, met kuilen en putten, steenslag en zelfs hele onverharde stukken. In Nederland worden sportevenementen om minder afgelast. En daarnaast; eenmaal gefinisht gaf mijn Polar aan dat ik de Vaunjany (exclusief vertraging) in 6 uur 27 voltooid had. Dat is geen goede tijd, maar daarmee zou ik toch, na 128 kilometer in mijn eentje gereden te hebben, nog doodleuk 33e geworden zijn. Wie weet, misschien werd het nog wel wat deze week.
De klim naar Vaujany:

Bekijk hier de complete uitslag