KEN UW VIJAND
Voorjaarscompetitie Dordrecht

Ware woorden. Had ik ze maar ter harte genomen. Collega-renner uit Amsterdam Freek T. maakt serieus werk van het bestuderen van zijn vijanden. Hij kent hun namen, weet welke koersen ze gewonnen hebben en op wat voor fiets ze rijden. Hij herkent ze zelfs als ze gewoon in burger over straat lopen. Die kennis brengt hem ver. Vorig seizoen zat hij in alletwee de klassiekers die hij reed in de juiste ontsnapping. Ik niet.

Het is in het wielrennen verdomd handig als je weet wie je moet volgen. En wie niet. Inmiddels ben ik gevorderd genoeg om renners in te schatten. In het verleden overkwam het me maar al te vaak dat ik de longen uit mijn lijf reed om een kopgroep te redden die door de aanwezigheid van enkele pannenkoeken van het begin af aan gedoemd was te mislukken. Dat doe ik nu niet meer. Bespeur ik in een kopgroep renners die eruit zien alsof ze het tempo niet kunnen houden, bijvoorbeeld omdat ze op een fiets van vijftien jaar geleden rondrijden of omdat ze te veel vet op de benen hebben, dan houd ik mijn benen stil en laat ik me inlopen door het peloton.

Maar handiger is het om die kennis al te bezitten voordat je de inspanning levert die nodig is om een kopgroep te forceren, of liever nog: voor de start. En dan is het eigenlijk niet eens nodig om te weten wie slecht is, maar vooral wie er goed genoeg is om te winnen. Wie moet ik volgen als-ie gaat? Afgelopen zaterdag was dat, naast lokale held Robert de Poel, een geblokte renner van een club die gesponsord wordt door Bik Sloopwerken. Ik had eerder het genoegen om met hem kennis te maken. Dat was tijdens een trainingskoers op Sloten, waarin hij John Mens (toch ook niet de minste) en mij in een ontsnapping-à-trois finaal kapot reed. Waar John en ik nog enkel bezig waren om te voorkomen dat onze kinnebak het voorwiel zou raken, trok hij de snelheid doodleuk nog eens naar de 50. Hij deed de naam van zijn sponsor, die zijn vierkante massa bilspieren pregnant omspande, in ieder geval alle eer aan. Ik denk dat Freek zijn naam wel kent.

Telkens als Bik Sloopwerken aanzette, was ik erbij deze zaterdag. Op het rechte stuk van het parcours, waar we de wind in de rug hadden, trok hij op een gegeven moment door richting de zestig. Hij reed hij me bijna uit het wiel, maar ik bleef hangen. Het zag er veelbelovend uit. Wat ik echter niet wist, was dat Bik nog niet in vorm was. Hij kon wel hard rijden, maar kort. Het leek erop dat hij aan een een of andere intervaltraining bezig was, want na elke krachtsexplosie liet hij zich weer inlopen door het peloton. Dat was jammer, want ik was erop gebrand te ontsnappen. Ik stond tweede in het klassement van de zogenaamde voorjaarscompetitie en ik wilde die plek graag behouden. Eerste worden zat er toch al niet meer in. Die plek was lang en breed veiliggesteld door de lokale vedette, zoals dat bij de verschillende competities in Dordrecht de gewoonte is, jaar in jaar uit.

Dus gaf ik er zelf nog maar eens een snok aan. In verschillende formaties reed ik voor het peloton uit; met twaalf man, met zijn drieën, alleen. De voorsprong werd echter nooit meer dan driehonderd meter. Het moet me van het hart dat ik het me nu al een paar jaar voorneem om een keer alles wat ik in huis heb op één enkele onsnapping te zetten. In theorie zou die dan veel kansrijker worden. Maar in de praktijk lukt het nooit om me in te houden. Word ik teruggepakt, dan haal ik een paar keer diep adem, en onderneem ik een nieuwe poging. Ik ben één van de hersenloze aanjagers van het peloton. Een willekeurige conversatie in de buik van het peloton, waar ze met de handjes op het stuur rijden en de adem hebben om een gesprek gaande te houden: "Wie is dat toch, die daar zo op kop loopt te sleuren?" "Geen idee, maar hij zal zo wel moe worden." Ik dus.

Maar aan de andere kant: vaak zit ik wél in de juiste ontsnapping. Omdat ik nou eenmaal in àlle ontsnappingen zit. Vandaag viel het me wel op dat er een paar figuren rondreden, die er plezier in schenen te hebben om kopgroepen om zeep te helpen. Zo herkende ik één van de dikke mannetjes van twee weken terug, die steeds met een rotgang naar de kop gereden kwam, vervolgens het tempo niet bij kon houden en de boel frustreerde. Ook was er een wat oudere man – verweerde kop, benen als gevlochten staalkabels –  die hetzelfde deed, maar dan met nog meer macht. Pannenkoeken, dacht ik. Ik heb het dikke mannetje zelfs nog uitgescholden. Nou ja, fatsoenlijk dan. "Ga je zelf ook nog een keer fietsen?" vroeg ik 'm, "of laat je dat aan de anderen over?" "Wat zeg je?" vroeg hij. Dacht dat ik een gesprek aan wilde knopen, de sukkelaar.

De koers eindigde, zeer tegen mijn wens, in een massasprint, die met twee vingers in de neus gewonnen werd door de lokale vedette. Ik ging de sprint in op een aardige positie en wist met mijn leeggelopen benen zowaar een plek bij de eerste tien vast te houden – negende. Daar sprokkelde ik nog net wat puntjes mee, maar het zou wel niet genoeg zijn om mijn tweede plek in het klassement te redden. Bij de prijsuitreiking bleek ik inderdaad naar plaats vier gezakt te zijn. "Net niet op het podium", zei de speaker die in de kantine de envelopjes met geld uitreikte. Er was niet eens een podium. Toch keek ik nog lelijk op mijn neus toen de twee podiumplaatsen uitgerekend toe bleken te komen aan de twee grootste pannenkoeken van de dag. Het dikke mannetje op plek drie, net één punt boven mij, en de verweerde kop op de tweede plek. Mijn tweede plek.

Het bleken mijn vijanden te zijn, die twee. Concurrenten die in de massasprint net wat meer puntjes vergaard hadden dan ik. Sprinters, waarschijnlijk, die geen moment de intentie gehad hebben om mee te rijden in een ontsnapping. En nu ik erover nadenk; het is zeer aannemelijk dat zij wél wisten wie hun vijand was. Die lange dunne, die altijd van die onmogelijke aanvallen plaatst. En die nu vierde werd in een onaanzienlijke voorjaarcompetitie voor prutsers. Met onaanzienlijke eindprijzen. Een pijnlijk moment, kortom.

Gelukkig scheen maandag na twee weken van sneeuw, storm, een vriendin in de nachtdienst, een zieke dochter en een overleden familielid de zon. Ik heb mijn ergernis eruit geramd over een prachtig traject van 110 kilometer IJsseldijk. 32 gemiddeld, en dat is alleszins redelijk voor deze tijd van het jaar. Wel lag er met de zachte lentelucht een nieuwe vijand op de loer. Maar die herkende ik na een paar keer slikken meteen. En de remedie is makkelijk zat; mond dicht houden op de fiets.