over wielrennen
EEN FINISH OM NOOIT TE VERGETEN
La Vélomediane Claude Criquelion, Roche-en-Ardenne, België
Het zijn dit soort koersen die me ertoe aanzetten om verslag te doen van mijn ervaringen als wielrenner. Je vertrekt op vrijdagavond moederziel alleen naar de Ardennen, waar je in het aardedonker op de valreep de oostblok-bungalow weet te vinden waar je clubgenoten overnachten. Je deelt een hele slechte bedbank met een jongen die er nog een paar keer uit moet om met zijn vriendin te telefoneren. (Je kan de gesprekken buiten letterlijk verstaan omdat zijn telefoon kapot is en alleen maar over een speakerfunctie beschikt; zij is hevig ontroerd door het overlijden van haar moeders hond; hij onderneemt even herhaaldelijke als vergeefse pogingen haar te troosten.) De volgende ochtend werk je je ontbijt naar binnen, je trekt de deur van de bungalow achter je dicht en parkeert je auto zo dicht mogelijk bij de start van de wedstrijd. Het volgende moment bevindt je je in een koers over 175 kilometer gearcereerd terrein. Je doet vijf uur lang met de besten mee, finisht, vult je vocht- en voedseltekort zo snel mogelijk aan en stapt weer in de auto zodat je op tijd thuis bent om de oppas af te lossen.
En de rest van de week schieten je op willekeurige ogenblikken in de vorm van flashbacks willekeurige momenten uit de wedstrijd te binnen. Een demarrage, een achtervolging, het peloton dat stilvalt, een technisch lastige afdaling, iemand die een flesje water aanreikt, een vrouw met een hond midden op de laatste rechte lijn. In je hoofd ben je nog een paar weken bezig om het verloop van de koers te reconstrueren. Dat kan je dus net zo goed opschrijven.
Bij deze, in chronologische volgorde. Ik verscheen te laat bij de start en verloor bij het vertrek meteen enkele minuten door het bottleneck-effect dat werd veroorzaakt door de grote hoeveelheid pannenkoeken die aan weerszijden van de weg via de stoep het eerste startvak was binnengedrongen. Ik moest op de eerste de beste klim, de klim die ons Roche-en-Ardenne uitvoerde, direct vol aan de bak om de voorkant van het peloton nog te bereiken, waarbij ik al die malloten weer inhaalde. Wat zoeken die mensen toch in het eerste startvak? Een kort moment van glorie? Eenmaal op de top van de heuvel vond ik de voorkant van het peloton. Er waren zo'n vijftig renners over. Ze reden rustig met de handjes op het stuur, terwijl uit het achterveld druppelsgewijs nog wat enkelingen aansloten.
De eerste 70 kilometer bleken relatief licht te zijn. Geen lange beklimmingen, wel veel slecht wegdek, lastige afdalingen en onverwachte U-bochten in het parcours. Het leidde tot overmoed bij een aantal renners, het peloton werd onrustig en continue waren er uitlooppogingen. Bij gebrek aan parcourskennis zorgde ik ervoor steeds bij de eerste twintig te rijden, zodat ik in ieder geval niet degene zou zijn die vroeg in de wedstrijd de beslissende ontsnapping zou missen.
Halfweg keerden we terug in de straten van Roche-en-Ardenne. Het peloton leek wat tot rust gekomen, waardoor ik – natuurlijk – net wat te ver van achter zat. Plotseling sloegen we in het dorp rechtsaf en doemde er een muur voor ons op. De matten voor de tijdswaarneming aan de voet van de klim hadden me kunnen waarschuwen, maar pas toen de klim na het steile 20%-stuk nog niet afgelopen bleek te zijn, begon het te dagen dat dit wel eens de beslissende klim zou kunnen zijn. Het peloton lag uiteengeslagen op de flanken van de groene Ardennenhelling. Ik zocht een ritme en reed geduldig van de ene groep naar de andere tot ik in een groep tegenkwam dat een ritme had dat voldoende op het mijne leek. Met deze groep kwam ik over de top, naar later bleek in de zevende tijd.
Inmiddels waren er vooraan een aantal sterke mannen weggereden, waaronder Veltec-kopman Michel Snel. In mijn groep bevond zich een flink contingent Belgen, die, zoals hun zuiderburen hun gewoon zijn, elke vorm van samenwerking blokkeerden door hun beurten op kop structureel te weigeren. Op een volgende steile klim viel de groep uit elkaar. Net over de top kwam landgenoot Sjef Graafmans hard voorbij zeilen. Hij gebaarde dat ik mee moest komen. Met nog vijf anderen begonnen we te draaien en reden we naar de kopgroep toe, waarbij we – even ongevraagd als onverwacht – wat hulp kregen van een overenthousiaste motard. Dit is koers in België, dacht ik, en maakte me er verder niet al te druk over.
Met een voldaan gevoel arriveerde ik in de kopgroep. Zo, de slag is gevallen, dacht ik. Maar tot mijn verbazing hielden bijna alle leden van de oorspronkelijke kopgroep na onze aankomst demonstratief hun benen stil. Sommigen van ons probeerden nog het goede voorbeeld te geven, maar de samenwerking was weg. Niet lang daarna volgde een lange, lange afdaling over een prachtig geasfalteerde weg en kwam zo'n beetje het hele peloton terug. Alle inspanning voor niets.
Nieuwe schermutselingen volgden. Ik hield met name Mark Olieman (vorig jaar tweede in de Charly Gaul en nu rijdend in het continentale wit van Asito) en Michel Snel in de gaten. Op al te steile stukken moest ik ze echter laten gaan. Te weinig power en geen kans om een ritme te vinden. Klimtalent is de uitkomst van vermogen gedeeld door gewicht, en persoonlijk krijg ik steeds sterker de indruk dat bij elke uitkomst ook een ideaal stijgingspercentage hoort; bij mij ligt dat rond de acht tot tien procent. Bij lagere stijgingspercentages komen sterkere en zwaardere renners voorbij zetten, bij de hogere percentages rijden de lichte klimgeiten bij me weg.
Vermoeidheid begon alom zijn tol te eisen. Natuurlijke selectie bracht de voorste groep terug tot een man of twaalf. Vier man man die het tempo op de hellingen bepaalden, de rest aanklampers. Ik behoorde tot de laatste categorie en moest lijdzaam toezien hoe het onvermijdelijke gebeurde; op de zoveelste klim reden Michel Snel, Mark Olieman en nog tweede goede Belgische klimmers tergend langzaam van ons weg. In de verhitte snelkookpan van mijn brein borrelde vrijwel direct een plan op, waar ik me aan vastklampte als was het mijn laatste strohalm. Ik moest zo snel mogelijk weg uit deze groep van losers, zoveel was duidelijk. En omdat ik niet zo heel hard meer klom, leek het me het beste om dat dan maar in een afdaling te proberen. Liefst een moeilijke afdaling met scherpe, smalle bochten, want daar maakt een eenling nou eenmaal meer kans dan een groep.
Op de laatste meters van de volgende beklimming dook ik onderin de beugels. Ik schakelde naar het buitenblad en begon als een bezetene op de pedalen te rammen. Ik keek nog één keer om of niemand me gevolgd was, maar achter mij was de fut er klaarblijkelijk uit. Ik nam alle risico's, legde me plat op mijn bovenbuis, kin op de stuurpen, een sliert speeksel uit de mondhoek, en ik liet me als een steen het dal in vallen. Beneden kreeg ik de koplopers in het vizier. Ik beet me vast in hun spoor, kroop met mijn laatste krachten in de tijdrithouding en zowaar, ik haalde het.
Maar het was een warme dag. Nee, het was een hete, benauwde dag. Ik had precies twee liters vocht in mijn bidons en die waren op. Stoppen bij de ravitaillering was geen optie. Dat betekende dat ik erop kon wachten: kramp. En ja hoor, op een klim 25 kilometer voor het einde, in de kopgroep van vijf: mijn linker bovenbeen. Muurvast. Ik moest lossen. Ik vloekte luid, probeerde te blijven fietsen, verging van de pijn. En dan laat ik de psychische kwelling van het gelost worden om de verkeerde redenen nog buiten beschouwing. Het lukt me nooit om mensen uit te leggen wat je voelt als je echt heftige kramp hebt, maar het schijnt dat vrouwen er tijdens hun bevalling ook last van kunnen hebben. En iedereen weet hoeveel pijn díe lijden.
Wat nog nooit gebeurd was: de kramp trok weg, zonder dat ik af hoefde te stappen. En er gebeurde nog iets verbazingwekkends. Toen ik me weer bewust werd van mijn omgeving zag ik dat Mark Olieman ook had moeten lossen. Sterker nog, toen ik weer enigszins op gang kwam, koos hij met moeite mijn achterwiel. Samen tuften we versuft voort onder de brandende zon. Iemand van de organisatie die ons in een auto passeerde had zichtbaar medelijden en stopte ons tot twee keer toe een flesje water toe. Omdat ik op kop reed, mocht ik de aalmoes in ontvangst nemen. Mijn eerste impuls onderdrukkend, besloot ik het kostbare vocht toch maar met Mark te delen. Ter bevordering van de kameraadschap, maar zeker ook om een vernederende eindsprint af te kopen.
Maar Mark bleek met hele andere dingen bezig te zijn; voornamelijk met het niet van zijn fiets vallen van pure ellende. Hetzelfde gold voor de Belgische klimgeit in zijn Italiaanse Aqua & Sapone-outfit, die we opgeraapten nadat hij uit de kopgroep was gevallen. Toen ik na een tijdje gebaarde hij over moest nemen deed hij een korte beurt, waarna hij naar de andere kant van de weg stuurde en ons duidelijk maakte dat we maar zonder hem verder moesten gaan. Niet lang daarna haakte ook Mark af.
Ik harkte voort. De kilometers op mijn teller kropen voort. Het enige dat me op de been hield was de wetenschap dat ik de laatste tien kilometer tot de finish alleen nog maar hoefde af te dalen en dat ik nog steeds kans maakte op een fraaie toptiennotering. Tranen van vreugde welden in me op toen ik eindelijk begon te dalen. Maar er was ook angst. De weg waarover ik reed was breed genoeg voor een groepje renners om flink snelheid te maken. Ik moest vooruit zien te blijven. Ik maakte me zo klein mogelijk en begon bij te trappen op mijn zwaarste verzet. De kramp lag echter nog steeds klaar in mijn benen. Ik kon niet blijven forceren. Opnieuw blokkeerde mijn linkerbeen. Ik moest verder dalen zonder te trappen en begon steeds vaker achterom te kijken. Ik zag niemand, maar voelde de adem van de achtervolgers al in mijn nek.
In de straten van Roche-en-Ardenne was het een chaos. Omgeleide verkeersstromen en geen duidelijke aanwijzingen over waar de finish lag. Ik remde af om het een verkeersleider te vragen en werd een afgelegen straatje ingestuurd. Hé, daar stond mijn auto, kwam dat even mooi uit. Nog een U-bocht, pas op voor het grind. Auto op de weg, mensen dit kan toch niet! Maar het was de harde werkelijkheid na 170 kilometer koers. Evenals als de renner die me hijgend en vanuit het niets passeerde en een flink mes in mijn rug achterliet. Daar was de achtervolgende groep! Zelfs Mark was erbij. Maar waar was in godsnaam de finish?
Ik reageerde in een flits en klampte me vast aan het achterwiel van de vuile verrader die mij op de valreep mijn zuurverdiende vierde plek wilde afnemen. Daar doemde de finishboog op. Maar er liep ook een wandelende vrouw met hond midden op de laatste rechte lijn. En nog andere wandelaars, en overstekende toeschouwers. De dood of de gladiolen! Ik sprintte, of ik trapte althans zo hard als ik kon, voor was het waard was, ik slingerde om de dame met de hond, ontweek geparkeerde auto's en mensen van de organisatie en passeerde de verrader vlak voor de boog. Om het zekere voor het onzekere te nemen, sprintte ik nog een paar honderd meter door, tot ik zo'n beetje ín de tent met bruin bier en warme worst aanbelandde. Was het genoeg? Ja, het was genoeg. Zo, en niet anders, wordt men vierde in een Belgische koers.