SPIJKENISSE MON AMOUR
Omloop van de Zuid-Hollandse Eilanden

Het gaat nooit wat worden tussen de Nederlandse klassiekers en mij. Na vorig seizoen bewust geen enkele Nederlandse wegwedstrijd in mijn programm te hebben opgenomen (op de Ronde van Limburg en de Omloop van Simpelveld na), ging ik het afgelopen zaterdag weer eens proberen. Zonder veel ambitie weliswaar, maar toch met de vage verwachting dat het best wel eens beter zou kunnen gaan dan in 2008, toen ik met de elites van Gaul! in slechts één van de vier klassiekers de finish bereikte.

Fysiek ben ik goed genoeg, zoveel is zeker. Maar fysiek goed genoeg is niet van doorslaggevend belang in de Nederlandse klassiekers, waarin de renners bij gebrek aan natuurlijke obstakels elkaar het leven zuur maken. Wat heb je nodig om goed te zijn in de Nederlandse wedstrijden? Eén: stalen zenuwen. Twee: vaste hand aan het stuur. Drie: kennis van parcours en concurrentie. Op wie moet je letten en wanneer gaat het op de kant? Vier: de wil om continu op de voorste rij te rijden. Vijf: een ferme punch in de benen. Om de zaken, bij gebrek aan eigenschap één tot en met vier, weer recht te zetten. Of om te winnen, maar daar gaat het hier niet over.

Punt één en twee gaan al stukken beter dan in 2008: ik laat me niet zo gemakkelijk meer wegdrummen, rijd met enige regelmaat in de voorste gelederen en wist vandaag zelfs de opdracht van onze ploegleider uit te voeren ("Bas en Marten, jullie proberen mee te zitten in een vroege ontsnapping."), zij het met mate. In de aanloop naar de Haringvlietburg bij Numansdorp werd er flink vaart gemaakt en toen iedereen vooraan bovenop de brug even naar adem leek te snakken trok ik door (vanuit het adagium demarreren-als-je-stukzit). Ik pakte een kleine honderd meter, maar kreeg slechts één renner mee. Op het rode fietspad (Hellegatsplein), berucht uit de tijd dat we nog met stadsfietsjes op vakantie togen richting Zeeuwse kust, wachtten we tot meer medevluchters de sprong zouden wagen, maar vergeefs. Het hele peloton sloot weer aan.

Tot zover het goede nieuws. Want op punt drie, vier en vijf schiet ik nog steeds hopeloos tekort. Niet genoeg ervaring, geen ferme punch in de benen, en het belangrijkste, niet fanatiek genoeg om koste wat het kost vooraan te rijden. Er komt in een koers van vier uur altijd een moment dat mijn aandacht verslapt en dat ik wegzak. Sorry ploegleider. Ik weet niet wat het is. Ik kan er niets aan doen. Het is bij mij niet de man met de hamer, maar de man met het stemmetje dat zegt: "Wat ben je hier nou één-en-al aan het doen man? Doe 's effe relaxed!"

Hoe dichter we de westkust naderden, hoe meer de westenwind toenam. Op de smalle dijkjes tussen Middelharnis en Goedereede ging het meermaals op de kant en reed er een kopgroep van elf man weg. De grote ploegen waren vertegenwoordigd en gooiden de boel vooraan vakkundig op slot. Pas op de brede weg richting Stellendam kwam er weer ruimte om iets te ondernemen. Ik deed een paar pogingen om uit de greep van het peloton der gelatenen te ontsnappen, maar of er nou te weinig snit op mijn demarrages zat of niet, telkens hing er iemand in mijn wiel die niet wilde overnemen, of volgde eenvoudigweg het hele peloton.

Niet veel later betaalde ik bovendien de prijs voor mijn inspanningen. Voordat we opnieuw het Haringvliet zouden passeren en de wind in onze rug kregen, maakten we nog een rondje over de Kop van Goeree. Opnieuw ging het op de kant en ik had te weinig adem over om me voorin te handhaven. Ik zakte noodgedwongen naar de staart van het peloton, wat me even later noodlottig zou worden. In de bevoorradingszone hadden we de wind schuin van achter. Ik had de extra bidon hard nodig en wilde onze verzorger Bart voor geen goud voorbij rijden. Ik ging dus alvast wat langzamer rijden en koos de rechterkant van de weg. Toen ik Bart eindelijk zag, bleek er een ploegmaat in mijn buurt te zitten. Klassieke fout, want ik moest even in de remmen om Bart de tijd  te geven een nieuw etenszakje aan te reiken. Tegelijkertijd begon men vooraan in het peloton gas te geven. Een beetje een vuile kutstreek, maar het kan natuurlijk ook gebrek aan ervaring mijnerzijds zijn. Want wat weet ik nou een en al van het Nederlandse wielrennen?

De snelheid in het peloton liep direct richting de zestig. Ik slingerde het zakje op mijn rug, maar het kleine gaatje tussen mij en mijn voorganger groeide met deze snelheid al snel tot een gat, en het gat tot een breuk. Ik belandde tussen de volgauto's, reed een ferme tijdrit (boven de 46 p/u volgens de Powertap-file) en sloot na de passage van de Haringvlietsluizen weer aan in het peloton. Dat was echter het peloton niet meer, maar het laatste brokstuk daarvan. Een man af acht, met daarin, tot de zeer vermoedelijke teleurstelling van mijn ploegleider, twee ploegmaten. Om de ellende compleet te maken sloot niet veel later nóg een ploegmaat aan (Gideon de J., geveld door een val) en passeerden we aan de rechterkant van de weg Jacob W., die eveneens betrokken was bij een valpartij. Geen punten voor wielerploeg De Mol vandaag.

Samen met de onverschrokken Marten V. ("Ik stop pas met rijden als ze zeggen dat ik moet stoppen met rijden.") deed ik nog wat kopbeurten, maar het was al vrij snel duidelijk dat we er voor vandaag een streep door konden halen. Ik liet me uitbollen en koos mijn eigen weg terug naar Spijkenisse. Eenzaam in mijn schaamte en frustratie. En een nederlaag rijker in Spijkenisse, dat ik tot vandaag alleen kende van een meisje dat ik verloor in een weddenschap met een goede vriend en de crematie van de vader van – stomtoevallig - dezelfde vriend. Vaarwel Spijkenisse mon amour. Het ga je goed, mij zie je hier niet meer terug.

Zie hier de volledige uitslag