over wielrennen
GEDEISD
Vercors Challenge, Autrans, Frankrijk
Stel, je rijdt in de voorste gelederen van een cyclo, en uitgerekend in jouw groep hangt achterin een renner op apegapen. Hij zit scheef op zijn fiets, zijn adem raspt en piept en hij kijkt scheel van de vermoeidheid. Hij wekt alleszins de indruk ieder moment te zullen lossen, maar hij lost niet. Wat doe je?
Welnu beste lezer, let goed op, want hier volgt een waardevol advies. Los die klootzak! Los 'm zo snel als je kunt. Want er zijn maar twee mogelijkheden. Eén: de renner in kwestie zit echt stikkapot. In dat geval is hij van geen enkele toegevoegde waarde voor de groep, hij is dood gewicht, dead weight, je kunt hem missen als kiespijn en welbeschouwd is het alleen maar een daad van diepe humaniteit en compassie om hem zo snel mogelijk uit zijn lijden te verlossen. Twee: hij is een bedrieger. Hij is er lang niet zo slecht aan toe als het lijkt, zijn lijden is niet meer dan een kinderachtig toneelstukje waarmee hij precies die hoeveelheid energie bespaart die nodig is om jou in de laatste kilometers van de wedstrijd je zwaar bevochten topklassering te ontnemen. En het behoeft geen verdere uitleg dat je je van een bedrieger liefst zo snel mogelijk ontdoet.
Ik weet wat ik zeg, want afgelopen zondag was ik die bedrieger. Plaats delict: Vercors Challenge, even ten zuid-westen van Grenoble. Na wat schermutselingen op de eerste twee colletjes bevond ik me met zo'n vijftien renners vooraan in de wedstrijd. Op de lange lopende klim naar de Col de la Machine werden de debatten geopend. Teamgenoot Sander S. had me aan de start verteld dat alleen de eerste kilometers van de klim steil waren en dus beet ik voorlopig nog even door, al had ik zo mijn twijfels over de vorm van de dag en wilde ik liever niet te veel forceren. De groep dunde uit tot twaalf, tot tien, tot acht man.
En wat een verrassing, ik was er nog. Niet slecht, voor een cyclo die helemaal niet op mijn agenda stond en toevallig voorbij kwam dankzij een ingelaste vakantie in de Drôme. Maar toen werd de beslissende aanval ingezet. Twee mannen van het Franse team Scott demarreerden, en klein mini-mannetje met dikke beentjes en een wat oudere renner, die ik niet herkend had als latere winnaar Nicolas Roux. Ik capituleerde onmiddelijk. Het was overduidelijk dat ik deze versnelling niet zou kunnen volgen, vandaag niet en misschien wel nooit niet, en de meeste renners om me heen leken doordrongen van hetzelfde besef. Slechts één renner reageerde, een geblondeerde klimmer in hetzelfde tenue als oude bekende Patrick Gueraud, maar al snel bleef hij hangen tussen de twee koplopers en onze groep van vijf.
Eerlijk is eerlijk, ik was niet eens teleurgesteld door de huidige ontwikkelingen. Bij toeval was ik gisterenavond bij mijn aankomst in de streek met de auto over de laatste dertig kilometer van het parcours gereden, en het was overduidelijk dat je die het beste met een kleine groep zou kunnen afleggen. Golvend terrein, wind tegen en een biljartvlakke en lijnrechte finale. De twee Scott-mannen zouden we niet meer terug zien, zo berekende ik, dat viel aan in hun sterke versnelling af te lezen, maar Blondie wel, en daarmee kwam het podium binnen bereik.
Tijd om de renners in mijn groepje te monsteren. Het kopwerk op de klim wordt voornamelijk verricht door Patrick Gueraud, een wat oudere en harde renner die ik nog wel ken van de Vaujany en de Marmotte in 2009. Het kan geen toeval zijn dat het Franse guerre doorklinkt in de familienaam van deze oude krijger, die ik overal waar ik hem tegenkom onvermoeibaar en onbaatzuchtig op kop zie sleuren, immer staand op de pedalen op een onmogelijk zwaar verzet. Dan is er nog een derde man van Scott, die gek genoeg geen afstopwerk verricht, maar de enige is die af en toe naast Gueraud op kop komt. Er is een lichtgebouwde klimmer in het blauw met een mooie tred, een heuse pedaleur de charme, die aan de finish achter zijn zonnbril veel ouder blijkt te zijn dan hij lijkt, en de nestor van onze groep, Pierre Chevalier, ook een oude bekende. Met hem daalde ik vorig in de Marmotte jaar de Col du Lautaret af, we draaiden prima tot aan de alp, waar ik hem de eerste helft van de klim op kop liet rijden om hem vervolgens, toen mijn Grote Opleving kwam, zonder scrupules achter te laten, iets wat weinig recht deed aan onze mooie samenwerking.
Voorlopige bevindingen: ze zijn allevier een klap kleiner dan ik; dat wil zeggen, een klap lichter; ik lever hier op de klim dus het meeste vermogen (en dan reken ik mijn zware trainingswielen-met-Powertap nog niet eens mee), maar ik ben evenwel niet in supervorm (ik kan eerlijk gezegd niet heel veel harder dan ik nu ga) en ik heb niemand die mij onderweg een vers bidonnetje gaat aanreiken. Anderzijds: de finale is vlak, en dan telt gewicht niet meer. Conclusie: ik houd me gedeisd. Zolang de klimmers me niet lossen op de cols zou het zomaar kunnen gebeuren dat ik hier het podium ga halen.
Dan volgen nu enige opmerkingen betreffende het zich gedeisd houden. Gedeisd houdt men zich liefst met een vermoeide, ja zelfs gekwelde uitdrukking op het gelaat. Gedeisd houdt men zich helemaal achterin de groep, de indruk wekkende dat men niet de energie heeft om enige andere plek in te nemen. Wie zich gedeisd houdt, komt niet op kop. Kopwerk doet men alleen dan wanneer het absoluut noodzakelijk is om de groep niet uit elkaar te laten vallen, of om de groep fatsoenlijk te laten ronddraaien in de achtervolging op een renner met geblondeerd haar die zichzelf ietwat overschat heeft. Maar het kopwerk dient in dat geval gedaan te worden met zichtbare tegenzin en op niet meer dan tweederde van het daarvoor beschikbare vermogen. Mocht het noodzakelijk zijn om een gat dicht te rijden, bijvoorbeeld het gat dat uitgerekend de Oude Krijger tijdens een kleine inzinking op de laatste klim laat vallen, doe dat dan vooral niet in één ruk en niet met alles wat je in huis hebt, maar geleidelijk. Want gedeisd houdt men zich zo lang als mogelijk in het verborgene, pas wanneer dat echt noodzakelijk is laat men zijn ware aard zien. Die van de bedrieger.
Nu had ik het geluk dat het vandaag van mijn kant niet alleen maar theater was. Ik was in deze groep écht de minst sterke klimmer, en ik kampte écht met ernstig vochttekort toen ook het extra halve literflesje uit mijn achterzak leeg was. Kramp dreigde, maar afstappen bij de bevoorrading was geen optie. Maar zie, een kat in het nauw maakt rare sprongen. Toen we in de laatste twintig kilometer groepjes renners uit de toerversie begonnen in te halen, hoorde ik mijzelf in gebrekkig Frans bij een toerder bedelen om zijn halfvolle bidon, in ruil voor een fraaie zwarte BMC bidon (leeg, welteverstaan). Wonder o wonder, hij deed het, mijn redder! Medemenselijkheid, het bestaat dus toch onder wielrenners, wie had dat gedacht. Waarschijnlijk zal hij nooit weten hoe dankbaar ik hem op dat moment was.
En toen begon de finale. Blondie hadden we al op kilometer 120 opgeraapt (en inmiddels ook weer gelost), dus het ging dus zoals verwacht om plek drie. Ik besloot zo lang mogelijk te wachten; een eventuele solo mocht pas na het tweekilometerbord ingezet worden. Waar ik geen rekening mee hield was dat niemand in deze groep het op een sprint wilde laten uitdraaien. Ik werd compleet verrast toen Scott op drie kilometer voor de finish ineens demarreerde. Gueraud, de arme oude krijger, (natuurlijk, wie anders?) werd het eerste slachtoffer. Het leek werkelijk of hij plotseling achteruit reed toen hij in zijn eentje vol in de wind kwam te zitten. Chevalier reed het gaatje dicht, Scott zakte helemaal naar achter, Pedaleur de Charme weigerde dienst en zo kwam ik op kop.
Riskante situatie. Ik stuurde helemaal naar de rechterkant van de weg en liet het tempo zakken, wat meteen een nieuwe demarrage (over links) tot gevolg had. Chevalier. Ik reageerde meteen, Scott had te weinig adem, Charme te weinig kracht en toen ik bij het achterwiel van Chevalier was, lag er achter ons een gat van zo'n tien meter. De kaarten lagen op tafel, het masker was af. Rijen, gebaarde ik naar Chevalier, korte beurten kop over kop, en weg waren we. Scott en Charme reden net als wij kop over kop, maar ze verloren zichtbaar terrein. Op één kilometer voor de finish was duidelijk dat wij zouden sprinten om plek drie.
In een opwelling van kameraadschap en spijt over mijn manier van rijden op Alpe D'Huez riep ik tegen Chevalier dat de derde plek voor hem was, maar toen we na een rotonde de brede finishstraat opdraaiden bleek de roep van het podium sterker dan ik. Ineens gaf ik nog een keer vol gas. Chevalier kon mijn wiel niet houden en had de sprint zeker verloren als de finishstraat inderdaad de finishstraat was geweest. Want de finish lag op dezelfde plaats als de start, dat had ik moeten weten, twee scherpe en zanderige bochten achter de brede straat die ik vanochtend per abuis voor de laatste rechte lijn had aangezien. Ai ai ai. Chevalier kwam terug en dook voor me de bochten in. En ach, ik had 'm natuurlijk ook al gezegd dat hij derde mocht worden, dus wat maakte het nog uit. Gelaten liet ik hem voorgaan. Vierde was voor mij hoe dan ook het beste resultaat in een grote Franse cyclo ooit. Een absolute meevaller bovendien: onverwacht en ongepland, sterk tactisch gereden in deze nieuwe, gedeisde modus, en meer dan een goede opsteker op weg naar de Trois Ballons.
zie hier de uitslag